Waarom raak ik zo van slag van iets kleins?
Een collega sprak me aan op een fout die ik had gemaakt.
Niets ernstigs. Ik kon het herstellen en eigenlijk was er weinig aan de hand. Toch voelde ik direct paniek. Ik werd misselijk. Mijn hart ging sneller kloppen. In mijn hoofd hoorde ik alleen nog maar: Zie je wel, je bent niet goed genoeg. Niet oké. Mislukt.
De rest van de dag liep ik rond met een knoop in mijn maag. Ik trok me terug. Ging een rondje lopen. Weg van die plek. Ik wilde het liefst naar die collega toe om te vragen of het nog wel oké was tussen ons. En ergens dacht ik zelfs: misschien moet ik stoppen met dit werk. Ik kan dit niet. Iedereen kan dit, behalve ik.
Ik wist dat mijn reactie niet klopte. Cognitief begreep ik heel goed dat iedereen fouten maakt. Dat deze collega mij niet afwees. Dat dit gewoon een werkfout was die opgelost kon worden. Maar mijn gevoel vertelde me iets heel anders.
Een steeds terugkerend patroon
Dit was niet de eerste keer dat ik zo reageerde. Eigenlijk gebeurde het steeds opnieuw. Niet alleen op mijn werk, maar ook in vriendschappen, thuis en in andere situaties waarin ik het gevoel had dat ik tekort was geschoten.
In de gesprekken bij Edulivo ontdekte ik dat het eigenlijk helemaal niet over die collega ging.
Wat geraakt werd, was iets veel ouder. Ik ontdekte hoe diep de overtuiging zat dat ik het goed moest doen. Dat fouten maken voor mij niet voelde als iets wat ik deed, maar als bewijs dat er iets mis was met mij. Alsof mijn waarde als mens afhankelijk was van hoe goed ik presteerde.
Langzaam begon ik te begrijpen dat er in zulke momenten een oud patroon werd geactiveerd. Een reactie die veel groter was dan de situatie van dat moment. Alsof een jonger deel van mij de regie overnam zodra ik kritiek kreeg of dacht dat ik iemand had teleurgesteld.
Later leerde ik dat dit in de psychodramatherapie een autopsychodrama wordt genoemd. Een oud patroon dat zich telkens opnieuw afspeelt wanneer een oude pijn uit een verloren seconde geraakt wordt. Toen ik dat hoorde, dacht ik: ja, zo voelt het precies. Alsof er iets in mij reageert voordat ik er zelf bij kan.
Leren voelen in plaats van oplossen
Voor het eerst probeerde ik niet harder mijn best te doen.
Ik hoefde het niet eindeloos te analyseren. Ik hoefde mezelf niet te verbeteren. Ik hoefde niet nóg beter mijn best te doen om van dat gevoel af te komen.
In plaats daarvan leerde ik stil te staan bij het deel in mij dat zo bang was.
Dat vond ik misschien wel de grootste ontdekking. Onder mijn perfectionisme, mijn harde werken en mijn voortdurende behoefte om het goed te doen, zat eigenlijk een kwetsbaar meisje dat bang was om afgewezen te worden.
Langzaam begon ik te voelen dat ik niet overdreven reageerde. Mijn reactie had een geschiedenis. Ik reageerde vanuit een oude wond.
Ruimte voor ‘mijn meisje’
Ik heb dit meisje een naam gegeven. Ze mag er zijn. Het inzicht gaf ruimte. Ruimte voor dat kleine meisje dat zo haar best had gedaan. Dat zich had aangepast. Dat dacht dat ze perfect moest zijn om geliefd te blijven.
En misschien nog belangrijker: ik ontdekte dat ik daar als volwassene niet meer van weg hoef te lopen. Zij heeft niets fout gedaan. Ze draagt pijn met zich mee die nooit echt gezien is. En voor het eerst voelde ik dat ik daar niet tegen hoefde te vechten, maar voor mocht zorgen.


